
Spreuken 2:1
Mijn zoon, indien gij mijn woorden aanneemt en mijn geboden bewaart,
Spreuken 2:9
Dan zult gij gerechtigheid en recht verstaan, ook rechtschapenheid, elke goede weg.
Spreuken 2:16
om u te redden van de vreemde vrouw,
Spreuken 2:17
die de echtvriend van haar jeugd verlaat en het verbond van God vergeet;
Spreuken 2:18
want haar huis zinkt weg in de dood, haar paden voeren naar de schimmen;
Spreuken 2:19
niet één van allen die tot haar gaan, keert weder, en zij bereiken de paden des levens niet;
Spreuken 5:3
Want van honingzeem druipen de lippen der vreemde vrouw, gladder dan olie is haar gehemelte,
Spreuken 5:4
maar op het laatst is zij bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
Spreuken 5:5
Haar voeten dalen af naar de dood, haar schreden raken het dodenrijk.
Spreuken 5:7
Nu dan zonen, luistert naar mij en wijk niet af van de woorden mijns monds.
Spreuken 5:8
Houd uw weg ver van haar, nader niet tot de deur van haar huis,
Spreuken 5:18
Uw bron zij gezegend, verheug u over de vrouw uwer jeugd:
Spreuken 5:20
Waarom zoudt gij dan, mijn zoon, afdwalen naar een vreemde, de boezem van onbekende omarmen?
Spreuken 5:21
Want voor de ogen des Heren liggen ieders wegen open, Hij weegt al zijn gangen.
Spreuken 6:20
Bewaar, mijn zoon, het gebod van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet.
Spreuken 6:24
om u te bewaren voor de slechte vrouw, voor de gladde tong der onbekende.
Spreuken 6:25
Begeer haar schoonheid niet in uw hart, laat zij u niet vangen met haar wimpers.
Spreuken 6:26
Want ter willen van een hoer (vervalt men) tot een schamel stuk brood, en eens anders vrouw maakt jacht op een kostbaar leven.
Spreuken 6:29
Aldus hij, die tot de vrouw van zijn naaste komt; niemand die haar aanraakt, gaat vrijuit.
Spreuken 6:32
Wie overspel pleegt met een vrouw, is verstandeloos; wie dit doet, richt zichzelf te gronde.
Spreuken 7:1
Mijn zoon, bewaar mijn redenen en leg mijn geboden bij u weg.
Spreuken 7:2
Bewaar mijn geboden en leef, en mijn onderwijzing als uw oogappel.
Spreuken 7:3
Bind ze aan uw vingers, schrijf ze op de tafel van uw hart.
Spreuken 7:5
om te bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende, die gladde woorden spreekt.
Spreuken 7:7
en ik zag rond onder de onverstandigen, ik merkte onder de jonglieden een verstandeloze knaap,
Spreuken 7:8
die over de straat ging, dicht bij haar hoek, en in de richting van haar huis stapte,
Spreuken 7:10
en zie, daar ontmoet hem zulk een vrouw, in hoerenkledij en listig van hart.
Spreuken 7:13
en zij grijpt hem aan en ksut hem; met een onbeschaamd gezicht zegt zij tot hem:
Spreuken 7:18
Kom, laat ons zwelgen in minne tot de morgen toe, en genieten van de liefde.
Spreuken 7:21
Zij haalde hem over door haar redenering, met haar gladde lippen verleidde zij hem.
Spreuken 7:22
Argeloos liep hij haar na als een rund dat naar de slachtbank gaat, als een dwaas in boeien geslagen,
Spreuken 7:23
totdat een pijl zijn lever doorboorde; gelijk een vogel zich haast naar het klapnet, zonder het te weten, dat het tegen zijn leven gericht is.
Spreuken 7:24
Nu dan, zonen, luistert naar mij, slaat acht op de redenen van mijn mond.
Spreuken 7:25
Uw hart wijke niet af naar haar wegen, dwaal niet af op haar paden.
Spreuken 7:26
Want velen zijn de verslagenen die zij heeft geveld, talrijk zijn degenen die zij altemaal heeft gedood.
Spreuken 7:27
Haar huis zijn wegen naar het dodenrijk, die afdalen naar de binnenkameren van de dood.
Spreuken 22:14
De mond van de vreemde vrouwen is een diepe groeve; hij, die op de Here vergramd is, valt daarin.
Spreuken 23:26
Mijn zoon, geef mij uw hart, laat uw ogen behagen hebben in mijn wegen;
Spreuken 23:27
want de hoer is een diepe kuil, de ontuchtige een nauwe put:
Spreuken 23:28
ja, zij ligt op de loer als een rover en vermeerdert de trouwelozen onder de mensen.
Spreuken 30:20
Zo is de weg der overspelige vrouw: zij eet, veegt haar mond af en zegt: Ik heb geen kwaad gedaan.
Spreuken 31:2
Wat, mijn zoon, (zal ik zeggen)? Ja wat, zoon van mijn schoot? ja wat, zoon van mijn geloften?
Spreuken 31:3
Geef uw kracht niet aan de vrouwen, noch aan de omgang aan haar die koningen verderven.
Spreuken 31:30
Bedriegelijk is de bevalligheid en ijdel is de schoonheid, maar een vrouw die de Here vreest, die is te prijzen.